elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afwachten

afwachten , ofwachten , zwak werkwoord, overgankelijk , afwachten Hoe of de neie regering het doen zal, moew mor ofwachten (Oos), Ik mut nog ofwachten, a’k mit die ofgescheidene wel op kan schieten (Ruw), Wij moet eerst de oetslag ofwachten (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afwachten , ofwaachten , werkwoord , afwachten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afwachten , afwaachte , afwachten.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
afwachten , afwòchte , zwak werkwoord , afwòchte - wòchtte(n) aaf - afgewòcht , afwachten; Cees Robben: niks as de bui afwòchte; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - mar afwòchte, as Ónze Lieven Heer ònt krèùs (Pierre van Beek:-TT '7l) - Zijn ziel in lijdzaamheid bezitten .Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – AFWACHTEN, wkw; wacht mij aan de statie af; zijnen tijd, zijnen toer (beurt) - ; met vijandelijke gevoelens opwachten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal