elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afwassen

afwassen , aafwésje , wèsjde of weisj aaf, haet of is aafgewėsje , afwassen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afwassen , ofwaskern , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afwassen Ofwassen mit miege is een middel tegen moek (Uff) 2. de vaat doen Gao mor hen bedde, ik wascher, ...wasker, ...was wal of (Sle), Gao mar in die kom an het ofwassen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afwassen , ofwossen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = 1. de ruige winterwol verliezen. Het begint bij de poten en is een teken van gezondheid De schaop wost of (Sle), Ofwossen dut een schaop net veur het scheren (Geb), z. ook snuien 2. zwellen van het uier (Zuidwest-Drenthe) De pinke begont of te wossen, hij is wel drachtig (Dwi), As pinken begunt te spundern, wast ze of (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afwassen , ofwasken , ofwassen , werkwoord , 1. door te wassen van iets verwijderen 2. door wassen reinigen, schoonmaken 3. de afwas doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afwassen , aofwase , werkwoord , afwas , (de afwas doen) aofwase (zie: 'wassen') VB: Dao ês niks wat ich zoe nôj doon es aofwase.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afwassen , [de afwas doen] , ofwassen , (werkwoord) , wast of, wassen of, of-ewa , afwassen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afwassen , ópwâse , afwassen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
afwassen , afwaase , zwak werkwoord , afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase , wassen (van personen); zenèègen afwaase - zich wassen; R.J. 'toen hebben wij ons afgewasen'; - afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase; Geen vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal