elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afwenden

afwenden , ofwenden , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afkeren Hij wendde zien gezicht of (Gas) 2. steeds kortere voren maken bij het ploegen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik moe ofwenden, die akker geert aordig zodanig ploegen bij een gerende akker, dat er een rechthoek overbleef. Dit gebeurde door het paard eerder uit de voor te laten lopen (Sle) 3. schuin toelopen (hy:Zuidoost-Drents zandgebied) De akker wendt of
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal