elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afwerken

afwerken , [voltooien] , ofwarken , voor: gedane zaken maken, de zaken tijdig afdoen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
afwerken , aafwirke , wirkde aaf, haet of is aafgewirk , afwerken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afwerken , ofwarken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afwerken As de opper kloor is, wordt hij nog even ofwarkt mit de vorke of de harke (Bov) 2. afrekenen, schoon schip maken, zaken tijdig afdoen Dat lap ie mij niet wèer, aans za’k ies good mit oe ofwaarken radicale maatregelen nemen (Die), Hij warkt er direct mit of maakt schoon schip (Ruw), Die kunt er handig met ofwarken snel de zaken regelen (Anl), Mit de bakker en de schenker ofwarken afrekenen (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afwerken , ofwarken , werkwoord , 1. geheel doen, afmaken, voltooien 2. stevig aanpakken, mores leren, een pak slaag geven 3. de laatste hand leggen aan, de definitieve vorm geven aan, het uiterlijk van iets voltooien 4. werk ten einde brengen 5. heel veel werken 6. met moeite naar beneden weten te krijgen, naar beneden duwen enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal