elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afzet

afzet , ofzet , de , afzet Zie bint kapot gaon, zie hadden gien ofzet genog (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afzet , ofzet , zelfstandig naamwoord , de 1. het verkopen van waren naar elders, afzet 2. hetgeen men wil verkopen 3. zoveel als men in één keer wil maaien van een heel stuk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal