elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ajakkes

ajakkes , arrîjazzes! , Ajakkes!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ajakkes , arrîjazzes , arrejazzes, arrejakkes, hérejékes , Afkeer uitdrukkend. Ajakkes! Soms met het verlengstuk: krastes! Ook: achterste. Pas op hö̂r, òf î kriegt vö̂r u blóte arrîjazzes. Ik kan dö̂r u brôk hen u blóte arrîjazzes z(i)een. Fatsoenlijke bastaardvloek.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ajakkes , ajakkes , tussenwerpsel , uitroep van afkeer Ajakkes, wat een vies ding (Klv), zie ook harrejakkes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ajakkes , ajakkes , bah, een schrikkerig antwoord op ’n vies verhaaltje, waarbij tegelijkertijd een vies gezicht wordt getrokken , zunne snotpiek zakte over z’n lippe tot op z’n kien en toen snuifde n’ie ’m wir trug z’n neus in en de mèèse riepe ajakkes = het snot zakte over z’n lippen tot op z’n kin en toen snoof hij het weer terug in z’n neus en de mensen riepen bah-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ajakkes , ajakkes , 1. bah. Uitroep van afkeer ;2. in hèllige Ajakkes patroon van de schuine moppentappers
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal