elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: al

al , aldat , voor al ware het dat. , " aldat gij het gezegd haddet, zou ik het toch niet gelooven. Zoo ook: al loopt het nog zoo hoog, waarvoor men in ongebonden stijl zegt: aldat het nog zoo hoog loopt; waaruit men ziet, dat al, aldat, zeer nabij aan den zin van ofschoon komt, ja, mijns bedunkens meestal dezelfde beteekenis heeft. Het staat eigenlijk voor al is het dat."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
al , aal , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , al.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
al , al , alle , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , al; ’t is al, het is wel waar; de eerpels bünt alle, de aardappels zijn op.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
al , als , voor: al, in: als te groot, als te mooi, enz. Vgl. veuls te mooi, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , als voegwoord voor: als, bv. in: al goan ’k noa stad, ze’k den ’n kouke mitbrengn? Verdam: al, ook alle = als, indien, nog in Groningen gewoon (Swaagman 49) In dezen zin wordt al terstond door het werkwoord gevolgd, niet door het subject! (art. al, kol. 327.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al - nog , in uitdrukkingen als: ’k heb lijver al wortels as nog wortels, enz., dat is peenen smaken ’t best als zij pas gerooid zijn, in ’t voorjaar lust ik ze niet meer.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , voor: niettegenstaande, alhoewel: al hou zeer mie ’t ook dee = in weerwil van de pijn die ik uitstond; al hou geern’k ook wōl = hoe gaarne ik het ook zou doen; al hou drok wie ’t hebben = niettegenstaande wij ’t zeer druk hebben;’t bin eerlêke mensen, al hou arm dat ze ’t hebben; “Al hou bliede Kloas ook was om ’t postje hom beschoren.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , als algemeen telwoord: ’t gait al zien doagen goud = ’t loopt tegen verwachting goed af; ik mijnde al mien best = verkeerde in de stellige meening; ’t regent al an (al en an met gelijken nadruk) = zonder ophouden; in al dat weer (onweder, storm, enz.) en dergelijke uitdrukkingen zijn zeer gewoon en vindt men menigvuldig bij onze Ouden; (Drentsch aol mis = geheel, glad verkeerd.); ’t is al wat beter = ’t is wel iets beter; da’s al zoo goud = die maatregel verdient de voorkeur, zóó is het beter; ’t gait (Westerkwartier ’t geit) àl zoo goud van doage; ’t is àl wat slim = ’t is eene moeilijke zaak, een leelijk geval, ook: ’t is erg; ’k was àl bang dat ’t begunde te regen = ik was bang dat het zou beginnen te regenen (klemtoon op àl); ’t is àl roar = ’t is wel zonderling; ’k wōl al zeggen = ik dacht bij mij zelf; hij ’s nijt al te goud (niet al te goed) = een weinig ongesteld, ook: niet wel bij ’t hoofd; bist nijt al te goud? = bist wel goud? schertsend voor: zijt gij wel goed bij ’t verstand? (al te wordt hier genomen in de verouderde beteekenis van: zeer); ’t is lichtmoan en al = er komt nog bij dat de maan schijnt; hij ’s olderling en al en doch, enz. = niettegenstaande hij ouderling is, enz.; ’t is al zoo goud, om, enz. = ’t is beter om, enz.; ook Oostfriesch – Algemeen bekend is de zegswijs: al weer van veuren of an! met de toevoeging: net as de köster van Garrelsweer (in Westerwolde: – as de köster van Loo = Vriescheloo), wanneer men met iets niet op streek (zooals hij op de wijs) kan komen, en ’t dan telkens op nieuw beproeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , voor: alles, in: ’t ken al wel wezen, of: - wel waar wezen (klemtoon op: al) = dat alles kan waar zijn, dat wil ik niet betwisten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , voor: wel, tegengestelde van: niet; zij zeggen van al, wie zeggen van nijt (ook Stadsfriesch); ’t is al = ’s al = ’t is wèl, verkorting van: ’t is wèl waar; hij het ’t al tegen mie zegd, moar ’t is mie weer deurwaid = hij heeft mij die boodschap wel opgedragen maar ik heb ze vergeten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
al , al , (bijwoord van bevestiging) , wel. ’t Is n(i)eet! ’t Is al! ’t Is al waor! (klemtoon op al) Ik zegge van al en mîn brör van n(i)eet. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
al , al , (bijwoord) , (steeds met de klemtoon uitgesproken). Wel. ǁ Er is niemand ’eweest, is ’t al? Trijn was niet op ’et ijs, maar Neel reed er al. Ze zeggen van al. “Is vader thuis?” “Ik meen van al.” – Zo ook verderop in N.-Holl. en in Friesl. De uitdrukkingen al of niet en al dan niet zijn overal gangbaar; zie Ned. Wdb. II, 68.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
al , al* , wel, ook in uitdrukkingen als: ’t is al wàt beter, ’t gait al zoo goud van doage, bvb. van zieken gebezigd (de beteekenis op bldz. 4 is eenigszins anders); ’t is ál roar = ’t is wel zonderling (meestal ongunstig); het Nederlandsch heeft in de gemeenzame spreektaal; al zoo lief = wel zoo lief of liever. Vergel. bedel * en doagen . Met de zegswijs op bldz. 5, I boven, komt ook overeen: ien alle stukken = is geheel aan stukken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
al , al te voor , al te, zie veulste *; beide ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
al , al , als voegwoord = als: al goan ‘k noar hoes = als ik naar huis ga; in ’t Nederlandsch komt hiermede eenigszins overeen de zeer bijzondere beteekenis van “al” = zelfs indien; synoniem zijn as * en of * (zie de aanteekeningen op die woorden).
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
al , al , (bijwoord vrouwelijk) , bevestiging, wel. ’t Is n(i)eet! ’t Is al! ’t Is al waor! (klemtoon op al). Ik zegge van al en mîn brö̂r van n(i)eet. Naast,“’t Is al” hoort men ook: Dazzal! (Dat is wel zoo.) Aan het eind bv. van al hoort men ook als in: als te völle, als te mooi e.d. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
al , al , bereids
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
al , al , [ă] , bijwoord , waar; dät is al: dat is wél waar; tegenst.: dät is niet
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
al , al , a , bijwoord , voor een medeklinker en bij sterke klemtoon vaak: a, 1 reeds, 2 wel. Da’s a!, dat is wel waar!; dat he’j a!, dat heb je wel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
al , aal , wel (bv. in: aal woar)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
al , al , bijwoord , Wel. | Ik mien van al. Vgl. Nederlands al dan niet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
al , als , bijwoord , Al. In verbindingen als: als te veul, als te kloin, enz.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
al , al , voegwoord , Als, indien. In bijzinnen van tijd of voorwaarde die geen extra nadruk hebben. | Al is ’t twaalf uur, den luidt de klok. Al gaan je over, dan kroig je ’n nuwe fiets. Je kroige gien eten, al kom je te laat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
al , al , alles. Al veur dich, mien hunjtje: alles voor jouw mijn schat.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
al , aal , al, aol , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook al, aol (Veenkoloniën) = 1. wel Hej ok metdaon? Jao, dat aal dat wel (Sle), Dat was het plan aal (Gas), ...de bedoeling aal (Rui), Nou weet ik nog niet, wat ik mute; mij antrekken al of niet (Uff), Al waor (be) 2. steeds maar, aldoor In zien gedachten wordt e aal rieker (Bal), Under het praoten wuur e aal rieker (Sle), Hij gunk aal mor deur, ...mor aal deur (Eex), ...al man deur (Bov), Dat gunk niet aal aachtereens vort (N:ti), Hij praotte al mar weg (Klv), Ze hadden mar al weg tegenslagen steeds maar weer (Sle), De weg gunk aal liekuut (Eco), Het weer verandert aal zachies an (Sle), zie ook aalmor 3 zoal, allemaal (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) IJ moet er is an denken, hoeveul mooie wichter der aal in oes darp woont (Bor), An wel aal moet ik dat geven? aan wie allemaal (Sle), Ze komt aal (Bov) 4. reeds Bust er noe al weer? (Bco), Of hest doe dat ok al heurd? (Eco) 5. ten volle, helemaal Ik binne der al zat van (Dwi), Hie was ien en al oor (Emm) 6. versterkend Al naor gelang hie er dichterbij kwam wuur e aal banger (Sle), Het water was niet al te helder (Wei), Hie vuulde zuk niet al te goed, hie is in hoes bleven was niet lekker (Oos), Dat gescheit mit neijoor wordt mie noe toch al te gek (Bov) 7. alles Al met al kun e der weer tegen alles bij elkaar genomen (Emm), Met peerd en al kwam e op de loop (Odo), Al waor ik an dacht hebbe, an hum gien mement waar ik ook aan gedacht heb (Sle), zie ook alle(s)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
al , aal , al, aol, a , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook al (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), aol (Veenkoloniën), soms uitgesproken als a = elk, alle Ik trek mij aal aovend um (Anl), Aal tieden van dag kunj mij wel kriegen (Vri), Al joor gaven ze een oetvoering jaarlijks (Bco), Aal daogen stun e veur de deur (And), zie ook alle, als II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
al , al , voegwoord , 1. ofschoon, hoewel Al kreeg e ok alle dagen klappen, hij leut het nich (Bco) 2. in al hoe hoezeer Al hoe ziek hie ok was, hie kwam toch (Bor), Al hoe lang of hij is, hie kun er niet bij (Man), Al hoe beroerd het ook leek, het is toch goed of elèupen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
al , al , al
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
al , al , wel. ’t Is niet waor! ’t Is al waor! Iej heb ’t wel edaon!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
al , al , onderschikkend voegwoord , 1. alsof 2. hoewel 3. ook al
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
al , al , alle , onbepaald voornaamwoord , heel, geheel, het gehele aantal, alles
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
al , al , bijwoord , al
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
al , al , bijwoord , ook al Al waere we d’r geweest, dan was ’t toch gebeurd Ook al waren we er geweest, dan was het toch gebeurd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
al , al , alles , Al wa wénslek is. Alles wat wenselijk is. Vaak gebruikt bij een nieuwjaarswens.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
al , haol , puur, helemaal , Det is haol vèt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
al , al , (alle) elke: al daag – elke dag; al waekes – elke week; al aoves – elke avond; al jaors – elk jaar
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
al , al , alles: hae geit door al haer – hij is nergens bang voor, hij schrikt nergens voor terug zie ook kappes, tebak, haor, snaor
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
al , al , bijwoord , Dialectenquête 1879 Kernkamp – Ze waandelden aal proatende tot oan de staad; telwoord; Henk van Rijen: ek gelêûf et al zen daoge - ik geloof het ongetwijfeld
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal