elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: albandig

albandig , albandig , elbandig, helbandig , (wb). Ook elbandig (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Vle in bet. 2.), helbandig (wb:Die in bet. 2.) = 1. heel gauw (wb:Halen) 2. geweldig Hie hef hum albandig slaogen (wb:Wee), Albandig vechten (wb:Bei) 3. al te druk, woelig (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Gan en Die), Wat een elbaandig meense rumoerig en druk (Rui), ook niet aan elkaar geschreven: al te bandig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal