elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: alledaags

alledaags , alledaags , allerdaags , Ook allerdaags (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = alledaags Hie luup der een beetien alledaags bij (Sle), Ik heb mien allerdaogse jaze aan (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
alledaags , alledaogs , gewoon , T’is niks bezunders, t’is mér alledaogs spul, 't zie'ter wél 'n bitje apôrt ût. Het is niets bijzonders, het is maar gewoon spul het ziet er wel wat apart uit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
alledaags , alledaegs , bijvoeglijk naamwoord , alledaags, algemeen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
alledaags , [dagelijks] , alledaag , dagelijks
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
alledaags , aldaags , iedere dag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal