elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: alleenloper

alleenloper , allienloper , de , 1. alleenloper, zonder gezelschap rondlopend persoon of dier Een pink die an de slootkant vret, is een allienloper (Schl), Met een alleenloper bedoolt ze bij oos een kind of ok wel een oldere met, die nooit vrinden of vriendinnen hef (And), Hij is vaok een alleeinloper, ...allènloper (Eex), Dat is een aordige alleinloper iemand die altijd maar wat alleen bij de weg ronddoolt (Vri) 2. vrijgezel Hie vernemp een koppeltien vrij jongs; wellen, die gien wichter hebt, een angesleuten troepien alleenlopers (ti) 3. enig kind (Zuidoost-Drents zandgebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal