elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: allegaar

allegaar , altegoar , allen, alle; altemoal regen! = het regent onophoudelijk; altemoal gekheid! altemoal leugens! enz. Zuid-Nederlandsch altemaal.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
allegaar , allegaar , allemaal
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
allegaar , allegaâr , onbepaald telwoord , Allemaal. | Da’s allegaâr van moin. Ze hadde allegaar bar veul skik had. Vgl. Fries allegear(re). Het woord is te herleiden tot ‘al te gader’. Vgl. Engels altogether.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
allegaar , ager , onbepaald telwoord , allemaal (LPW: Lop) Via allegaar uit altegader .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
allegaar , allegaar , altegare, allegaere, allegaor, allegare , (Zuidoost-Drents zandgebied) Ook altegare (Zuid-Drenthe), allegaere (Zuidwest Drenthe, noord), allegaor (Midden-Drenthe), allegare (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. allemaal Wij gaot allegaor an het feest (Dro), Altegaar trökken ze op naor de brulöfte (Nam), Dag, allegaere (Dwi) 2. helemaal (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Daor hej allegare niks met te maken (Coe), Dat doe ik allegaar veur niks (Stu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
allegaar , allegare , zie allemaole
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
allegaar , allegaere , allemaal. Allegaere met mekaere naor ’t wortelland.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
allegaar , allegere , allegeer, allegaer, allegaere , onbepaald voornaamwoord , allemaal, alle/allen/alles bij elkaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
allegaar , allegere , allegeer, allegaer, allegaere , bijwoord , louter, één en al
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
allegaar , allegaor , bijwoord , allemaal Ze gonge d’r allegaor naer toe Ze gingen er allemaal naar toe Zie allemael
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal