elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aller-

aller- , aldr , bij overtreff. trap bv. nm. aller-
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aller- , aller- , alder- , eerste lid van vele samenstellingen; drukt de hoogste graad uit. Als in het Nederlands wisselt het hoofdaccent vaak van plaats tussen aller- en het tweede lid van de samenstelling. Ook alder- Het alderzwoorste wark dee e zölf (Bco), Hij kreeg een allerhevigste klap an de oren (ti), Hie kwam op het alderlèeste moment (Zwe), Een alderlaifst wicht (Twe), Het allerstoerste komp nog (Row), (...) en er loopt zoveul jonge boerinnen in het laand, allerbest geschikt veur hoesvrouwen... (ti), Hie har zo allerakeligst dreumd (Sle), Het zag der alderbelabberdst oet (Man), zie ook aller-, alle(n)- in allendonders etc.
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aller- , alder- , aller- , aller- in aldermeerst, alderhadst enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aller- , alder , bijwoord , aller Den alderhôôgste De allerhoogste Den alderouwste De alleroudste
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aller- , aller- , zie alder-.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal