elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: allerlaatst

allerlaatst , alderlest , allerlaatst; zij ’s op ’t alderleste = zij kan elken dag bevallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
allerlaatst , allerlèest , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , allerlaatst Hie hef zien allerlèeste koe non ok verkof (Sle), (zelfst.) Op het allerleste kreeg e toch nog een kans op het laatste moment (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
allerlaatst , alderlaest , alderlest , bijwoord , allerlaatst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
allerlaatst , [allerlaatst] , allerlès , allerlèst , allerlaatst
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
allerlaatst , alderlist , telwoord, bijvoeglijk naamwoord , allerlaatst; Cees Robben – Want die [voetbalclub NOAD] hongen onderaon... en alderlist... (19610421); WNT ALLER-. De vorm 'alder-' is nog heden in de volksspraak gewoon en komt ook bij de schrijvers der 17e eeuw veelvuldig voor.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal