elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: allicht

allicht  , allig , zeer waarschijnlijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
allicht , allich , allicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
allicht , allicht , bijwoord , allicht Hie zal allicht niet vro weer kommen, want het is een heel end weg (And), Allicht, dat is nogal wiedes (Flu), Allicht zal de meester het wel waiten (Eco), Dan meent zo’n vrömde allicht dat... (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
allicht , allicht , gemakkelijk, natuurlijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
allicht , allichte , twee betekenissen: waarschijnlijk en vanzelfsprekend.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
allicht , alliecht , vanzelfsprekend , Alliecht zal ik vur èùw ‘n haffel rietsegaore afsnéije, b’óns stôn’ner zat. Vanzelfsprekend zal ik voor jou een aantal lisdodden afsnijden, bij ons staan er genoeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
allicht , allicht , allichte , 1. waarschijnlijk; 2. vanzelfsprekend.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
allicht , allich , allicht , allicht, natuurlijk , Mèt zoeaväöl minse bie-ein is t’r allich(t) eine dae get te knotere haet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal