elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: anker

anker , anker , in: ’t ergens veur ’t anker gooien, ook: – ’t anker gooien = op reis een bezoek bij familie of een goed vriend afleggen en daar gast zijn. Bij v. Lennep: het anker laten vallen = zijn intrek nemen, – veur zien beste anker liggen (of: leggen) = op sterven liggen, bij v. Lennep: hij ligt voor zijn laatste anker = het is slecht met hem gesteld; Friesch: Hij leit foar ’t lêste anker; Holsteinsch vör ’t lezste anker leggen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
anker , anker* , duidelijk hoort men overal: beste en toch zal de bedoeling zijn: leste.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
anker , anker , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze an ’n gouwen anker lègge, rijk getrouwd zijn (slechts weinig bewegingsvrijheid hebben).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
anker , anker , mannelijk , ankesj , ènkerke , anker; muuranker. Ein anker beier: een vat bier. Ein anker wien: 44 of 45 flessen wijn.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
anker , anker , aanker , ankers , Ook aanker (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. anker, van bijv. schip, muur, horloge, kozijn etc. Hij zit vast an het anker wil daar blijven wonen (Gie), Hij hef het aanker uut egooid blijft te lang zitten (Mep), Hie kan zien anker niet vinden zijn plek (Zwe), Hie hef daor het anker oetgooid is daar gaan wonen (Zwig), Zij was zien anker en bij heur was het einlik zien tehoes (de), Bij dat aolde hoes zit het jaortal op de ankers (Sle) 2. inhoudsmaat (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, dva) Teen tunne beer en twee anker brandewien (dva), Een aanker wien is 38,86 liter. Dat is 44 fles en men gaf der dan nog ein fles op tou (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
anker , anker , zelfstandig naamwoord , et; oude wijnmaat: anker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
anker , anker , zelfstandig naamwoord , et 1. scheepsanker 2. muuranker 3. uurwerkanker 4. anker van een motor
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
anker , añker , uitdrukking , Je zel nog oppie añker te land komme azzie zôô deurgaat Het zal nog wel eens een keer mis gaan als je zo doorgaat
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
anker , aanker , zelfstandig naamwoord onzijdig , aankers , énkerke , anker , Zw: (bij kaartspel) Drymaol d'n aanker: driemaal troef; driepikker (driepikker bij put) aanker (vero.) VB: Mêt 'n aanker woerte de tobbe ién 'nne pöt neergelaote.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal