elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: apotheker

apotheker , apteker , Apothecar of Artzenybereider.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
apotheker , aptijker , apotheker. Middel-Nederlandsch apteker, apoteker = kruidenier, winkelier (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
apotheker , apteiker , appeteiker , mannelijk, vrouwelijk , apteikesj , apotheker.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
apotheker , apteker , apotheker.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
apotheker , aptieker , de , aptiekers , Var. als bij aptiek = 1. apotheker Gao mar hen de aptieker, die hef het wel (Ruw) 2. (mv.) kweekgras (Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
apotheker , apteker , apotheker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
apotheker , aptieker , zelfstandig naamwoord mannelijk , aptiekers , - , apotheker , VB: D'n aptieker hié ién 't duerp ês demêt oétgesjejd, noé môt v'r ziëve killemeter wyjer goën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
apotheker , appeteker , apteker , (zelfstandig naamwoord) , 1. apotheker; 2. apotheek. Zie ook: apteek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
apotheker , apothieëker , appethieëker , zelfstandig naamwoord, mannelijk , apothieëkers/appethieëkers , apothieëkerke/appethieëkerke , (eerste vorm) apotheek, (tweede vorm) apotheker
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
apotheker , apteeker , zelfstandig naamwoord , J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): APTEKER zelfstandig naamwoord m. - apotheker; WNT in de spreektaal veelal APTEKER
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal