elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: appèl

appel , appel , (mannelijk) , appels , appel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
appel , appel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zegsw. Die zijn lijf bewaart, bewaart geen rottige appel, men moet op zijn gezondheid passen. Evenzo elders in ons land. – Dat bennen schoentjes om appeltjes meê van ’t zolder te halen, van oude schoenen, die voor de straat onbruikbaar zijn. – Het appeltje is toch zo dun geschild (dun van schil), gezegd van iemand, die lichtgeraakt is, of van een kind, dat met moeite zijn tranen inhoudt en bij de minste aanleiding dreigt uit te barsten. – Zie de samenst. pafappel, piepappel en de appelnamen beendert, zijdenhemdje, pippeledoortje en zoeteveentje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
appel , apl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , aple , àplken , appel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
appel , appele , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze wie appele vaart, zel appele ete, wie werkt, dient er voor beloond te worden of zal er voor beloond worden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
appel , appel , klemtoon op -pel , onzijdig , appelle, appelke: appel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
appel , appel , mannelijk , ėppel , ėppelke , appel. “De ėppel kriege of höbbe goue sjtertjes” werd vroeger gezegd, als laat in de winter bijna geen appels meer waren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
appel , appel , de , appels , 1. appel Die jongen hebt oes in de appels zeten (Sle), Gedreugde appels en paren (ui), Appels poffen (Hav), Dat is het neusien van de appel het neusje van de zalm (Wtv), Zie hebt nog een appeltien veur de dörst geld voor onvoorziene omstandigheden (Oos), IJ moet mar deur de zoere appel hen bieten (Sti), Der komp een schip met zoere appels an er komt een fikse regenbui aan (Bov), Dat doe ik niet veur een appel en een ei, ... een scheet en twei knikkers (Hol), ...dreei knikkers voor niets (Gas), Ik heb nog een appeltie met hum te schellen (Zwi), Hij is de rotte appel in de femilie (Dwi), ...in de maande (Bro), Zij hef wangen as appelties (Coe), Hij hef een kleur as een appel gezonde, rode wangen (Die) 2. kringen op de huid, als teken van gezondheid (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het was zo’n gezond kind, het haar appeltjes op de billen (Vtm), Dat peerd hef de appels op de pokkel (Bco) *De mooie appels likt boven in de körf (Bei); Iene rotte appel in de maande mak de hiele boel te schaande een slechterik bederft het voor de hele groep (Bro); De appel valt niet wied van de boom (Gas); Aandermans appels bint aaid lekkerder wat van een ander is, lijkt altijd mooier (Gro); Wie gien appeltien veur de dörst wil bewaren, zal later daorvan het naodiel wel ervaren (Koe); Wie zien lichaam goed bewaart, bewaart gien rotte appel men moet zijn lichaan goed verzorgen (Mep); Boer, boer, wat smaekt oen appels zoer (Wsv); Appelie rond, appelie rond / Val in mien schoetien en niet op de grond (Hoh); Appel op stokkien kinderspelletje. Er wordt een appel op een stokje gelegd en vervolgens gaat het erom dat men die appel weet te bemachtigen en er zo snel mogelijk een hap uit neemt (Anl); Daor komp een schip met zoer appelties an / Wat kost ze dan? / Ien cent, twie cent / Twie cent is mij veul te duur / Geef mij dan een kooltien vuur / Kooltien vuur is mij te hiet / Geef mij dan een rooie biet / Rooie biet is mij te rood / Geef mij dan een körstien brood / Körstien brood is mij te hard / Geef mij dan een flik veur ’t gat / Het schip met zoer appelties komt nooit weer (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
appèl , appèl , het , appèls , 1. oproep Hie hef de hond goed under appèl de hond luistert goed (Sti), Veural niet an oen moe zeggen, was dan zien appèl, want as die ’t wet, is ’t uut! (po) 2. beroep, bezwaar Daor gao ik tegen in appèl (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
appel , appel , appel. mv. appel; verkl. èppelken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
appel , appel , appel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
appel , âppeltien , appeltje. Zon âppeltien veur de dörs, is nooit weg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
appel , appel , appels , Wie z’n aojge bewaord, bewaord gin rotte appel. Wie zichzelf bewaard, bewaard geen rotte appels. Pas goed op je gezondheid.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
appel , appel , appele , eppelke , appel , VB: De goüdrenêt ês volges vëul lûi de bêsten appel vuur appelmoos.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
appel , appel , hoofd. in de uitdrukking: “un pèèr têêge n’oewen appel”, “een klap tegen je hoofd”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
appel , èppelke , appeltje , Mi èùw hék nog ’n èppelke te schélle. Met jou heb ik nog een appeltje te schillen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
appel , appel , (mannelijk) , appele , eppelke , appel , Ein bènneruuedje is ei lekker eppelke. Ein eppelke vuuer d’n doos(t).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
appel , appel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , appel(e) , eppelke , appel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
appel , gebraje appeloe! , uitroep, gedaan door de straatverkoopster van gepofte appels. In de jaren ’20 en ’30 van deze eeuw liep Dove Trui, de mangelvrouw, door de Dordtse wijken met een karretje waarop een kacheltje stond. Ze pofte appels in een rood-aarden pot. Op een schoteltje kreeg je voor één cent een warm appeltje, met stroop overgoten.
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
appel , appel , zelfstandig naamwoord , appels , appeltje , appel; zowel enkel- als meervoud; appel(s); - Ik ha 20 kilo appel, 10 kilo père, in mèndje vol mee waaichampions… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. As ge oewèège goed doet, dan doedet gin ròtte appel .Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Wie zenèège bewaort, bewaort gin rot appel .Dialectenquête 1879 Kernkamp – 'nen zuren aap'el; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der wòrdt in de appels nie geròmmeld: van boovenaon begiene! (HM-76) - Gezegd als een vrijer niet de oudste, nog ongetrouwde, dochter ten huwelijk kwam vragen, maar een jongere .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. appel; mv. 'appel', minder vaak 'appelke(n)'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
appel , appel , appele , eppelke , appel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal