elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: arbeid

arbeid , ârbeid , (mannelijk) , arbeid.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
arbeid , arbeid , (mannelijk) , arbeid.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
arbeid , arbeid , de , Var. als bij arbeiden = werk Wij moet mor eens weer an de arbeid (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
arbeid , ärbeiden , (Kampereiland, Kamperveen) weeën bij dieren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
arbeid , erbaaid , errebaaid , zelfstandig naamwoord , arbeid, werk, geboorteweeen bij vee Ook errebaaid; Da’ bêêst mot toch eerst errebaaid hebbe om te kalleve Die koe moet toch eerst weeën hebben om te kunnen kalven
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
arbeid , êrbeid , zelfstandig naamwoord, mannelijk , arbeid
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
arbeid , erbed , arbeid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal