elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: armenkas

armenkas , armekas , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze van de armekas trekke, armlastig zijn, financiële (of andere) bijstand ontvangen van een instelling voor armenzorg.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
armenkas , armkas , armenkas, armkaste , Ook armenkas (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe)Ook armkaste (Zuidwest-Drenthe, zuid) = armenkas Hij kreeg wat uut de armenkasse (Zdw), Hie is an de armköste krijgt uit de armenkas (Zwig), (fig.) Hij hef ’t oet de armkas kregen pak slaag gehad (Bov), (...)die een kèrel wal wat oet de armenkas geven duurt (N:dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal