elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: atlas

atlas , atlas , atlast , (met de klemtoon op at; de a van las wordt enigszins gerekt) , Alleen in de uitdr. wat een atlas, wat een uitdouwing, wat een drukte, en atlas(t) hebben, zich bezorgd tonen, allerlei (nodeloze) bezwaren hebben, zich angstig aanstellen. || Mijn hemel, wat ’en atlas! Och, wat heb-je weer ’en atlast, ’et komt immers wel in orde. Toe-i dat hoorde had-i geen altlas meer (was zijn bezorgdheid weggenomen). – Het woord is ook elders gebruikelijk in de vormen atlas en hartlast, eveneens in de zin van last, drukte. Misschien moet de uitdr. worden afgeleid van de mythologische reus Atlas, wie de zware taak van de wereld te torsen was opgelegd. Vgl. Ned. Wdb. II, 740.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
atlas , atlas , de , atlassen , atlas Die plaots moej op de atlas vinden kunnen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal