elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baander

baander , bander , baander, bandzer, banzer , de groote deur eener schuur om het graan in te rijden; unnerbaander = de onderdeur van den rechterkant eener baander; bovenbaander, het bovengedeelte. – In een gedeelte van ’t Oldampt en in Westerw. banzerdeur = de grootste der schuurdeuren, Friesch banders, Overijs. bansdeur, ook: baandeldeur. Neders. banse, eene schuur; HD. Banse, gedeelte eener schuur waar het graan geborgen wordt. Het woord moet tot: binden, in den zin van samenvoegen, vlechten, gebracht worden. De oudste huizen toch bestonden uit wanden van gevlochten teenen, met leem of klei dichtgestreken. Vergel. banden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
baander , banzer , zie: banzerdeure
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
baander , bander , (uit het engels), grote schuurdeur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
baander , baander , baanser, bander, banser, bandser, baonder , baanders , Ook baanser (Kop van Drenthe, be: Hondsrug), bander (Veenkoloniën, dva), bandser, banser (dva), baonder (be:Dwi in bet. 3) = 1. grote deur naar schuur of deel Ie muut de baander niet lös laoten staon, het tocht jao op de dele (Hav), Zie trökken de boel veur de baander hielden boeldag, vaak gedwongen verkoop (Bor), De kleine baander of het kleine baandertien kleine deur in de baander (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), Klein baanderie zit in de ziedmuur of op het aander èend van de schuurdeel en ok wel is op het èend van de kostal (And) 2. gulp Heb ie het heui nog niet dreuge? Ie hebt de baander nog lös (Geb) 3. baander of baonder is ook een deel [schuurdeel] voor een rijtuig te Dwingeloo (be)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baander , [deur] , baander , baanderdeure, gaonderdeure , in een boerderij de grote, meestal uit meerdere delen bestaande buitendeur, die toegang bood tot de deel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal