elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baanderdeur

baanderdeur , banderdeur , bander , schuurdeur, doch alleen ter onderscheiding, bv. van: zijdeur.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
baanderdeur , [schuurdeur] , bãnzendöre , (vrouwelijk) , schuurdeur.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
baanderdeur , banzerdeure , in een gedeelte van ’t Oldampt en Westerwolde de grootste der schuurdeuren; in andere deelen dezer provincie hoort men hiervoor: de groote schuurdeure, in de Ommelanden de schuurdeur. Aldaar voorts nog: peerstaldeur, de middelste der drie deuren, zijnde die van buiten leidt tot den paardenstal, en: koudeur = deur van de achterdeel of ’t kouhoes. Drentsch bander, baander, banzer, bandser, voor; de groote, dubbele schuurdeur ter onderscheiding van: zijdeur; Overijselsch baandeldeuren, bansdeuren, de groote deuren eener schuur; Friesch de banders. Middel-Hoogduitsch, Hoogduitsch banse, gedeelte eener schuur waar het graan geborgen wordt, Nedersaksisch eene schuur. – Het woord moet tot binden, in den zin van vlechten, gebracht worden; bandse werd tot: banse, banze verzacht. De oudste huizen toch bestonden uit wanden van gevlochten teenen, met leem of klei dicht gestreken. Vgl. vōldeur.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
baanderdeur , banzerdeur* , vergel. voldeur *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
baanderdeur , banderdeure , (uit het engels), grote schuurdeur
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
baanderdeur , baanderdeur , baansdeur, bansdeur, banderdeur, bansderdeur , Ook baansdeur of bansdeur, (Zuidoost-Drents veengebied), banderdeur (Veenkoloniën), bansderdeur(dva) = 1. grote schuurdeur Hij hef een vel veur de kop as een baanderdeur is bot, lomp en ongezeglijk (Hav) 2. deel van de grote schuurdeur, ofwel het kleine deurtje in de grote deur of één van de beide helften of de underdeur. In de rechter baanderdeur zit een glassie (Wtv) 3. gulp Hij hef de baanderdeure lös staon (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal