elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baanderhoek

baanderhoek , [hoek van de schuurdeur] , banderhoekies , hoekjes van de schuurdeur. Zie: bander.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
baanderhoek , baanderhoek , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. inspringende hoek van de muur van het achterhuis, waarin zich de baander bevindt, ‘links en rechts ingesloten door het paardestal- en varkensstalschot, van boven afgedekt door dak’ (hy) De baanderhoouk is de hoouk, waorin de baander steeit met an beide kaanten een muurtie, waorin smangs een deur (Eex), Ien het leste kreeg ik het kalf ien de baanderhook te pakken (Rui) 2. hoek bij de baander aan de binnenkant (Zuidoost-Drents zandgebied) De bessem stiet in de baanderhoek (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baanderhoek , baanderhoeke , baanzerhoeke , zelfstandig naamwoord , de; ruimte voor de grote schuurdeuren van een boerderij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal