elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baanhouder

baanhouder , [een bolleboos, een hele baas] , baonholder , banjert , een bolleboos, een heele baas.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
baanhouder , baanholder , baonholder , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baonholder (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniƫn, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. bezitter van een vrijgemaakte baan op het ijs (Veenkoloniƫn) De baonholder is baos op het ies (Vtm) 2. baas, bolleboos (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) Hij kan best leren, dat is wel een baonholder (Zdw), Je kunt het niet zo raar aanleggen of Catrientje was de baonholder maakte en hield de zaak aan de gang (Eri) 3. bazig persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij is nog mar pas etrouwd en nou wet hij al dat e een baanholder ekregen hef (Rui), Het iene main is kalm, maor de aander is een baonholder (Zdw) 3. bandiet (Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal