elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baardaap

baardaap , baordaap , de , iemand met grote baard Dei boordaap kun zien boord ok beter ofknippen; het liekt hum niks (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baardaap , baordaep , zelfstandig naamwoord , de 1. baardaap, scheldnaam voor iemand met een forse baard 2. bep. soort aap: baardaap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baardaap , baerdaop , zelfstandig naamwoord , baerdaope , baerdaopie , man met baard
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal