elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bagger

bagger , bagel , bagger (harde vierkante turfjes)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bagger , baggel , bagger, bagel , baggels , Ook bagger, bagel (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. modder, derrie, bagger, inz. veenspecie We mout vanmörgen eerst even an ʼt baggel trappen plattrappen van opdrogende veenspecie (Vri), Van blauwveen muiken ze baggel (Een) 2. baggerwerkzaamheden In de baggel draogt de maanlie een schacht boven op de stevelklomp (Eex) 3. baggerturf Wai hebben gister bagel kregen, mor mai dunkt, ik heb het antal neit (Row), Opgekamde baggel schuin, als dakpannen over elkaar liggende baggerturven (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bagger , bagger , baggerd , zelfstandig naamwoord , de 1. modder, slijk 2. veenspecie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bagger , baggel , bagel , zelfstandig naamwoord , de 1. veenspecie 2. baggelturf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal