elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bakbaggelen

bakbaggelen , bakbaggeln , onbepaald werkwoord , (veend.) = bakbaggeren. Het veen werd in een mengbak van 2 x 2m en 30 cm. hoog (Scho geeft 3 x 3 m. op) geschept en met de voeten fijngetrapt. Harde stukken werden met een klauw bewerkt. Vervolgens schepte men er water bij niet te veule, want het mus zo kunnen staon (Eli) en mengde men water en veen. Daarna liet men de modder tussen schotten lopen. Dit herhaalde men tot de ruimte tussen de schotten vol was, d.w.z dat de laag zo dik was, dat er bij indrogen een goede dikte van baggerturf ontstond. Bakbaggeln kon ook vanaf een drijvende bak of praam, z. baggeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal