elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bakhuis

bakhuis , bakhuis , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een gebouw, waarin zich een of meer olie- of traanbakken bevinden. || Ik zel maar ’en bakhuis huren, want ik heb geen berging genoeg in de molen. Het bakhuis, genaamd de Tweekap (te O. Zaandam). Het oude pakhuys met sijn twee bakhuysjes, en in yder van die twee traan of olybakken. Hs. boedelscheiding (a° 1740), verz. Honig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bakhuis , bakhuus , o , bakhuûs , bakruimte. Dit was de ruimte (in de boerenwoning) waar vroeger het brood werd gebakken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bakhuis , bakkes , onzijdig , bekkẹsse , bakkeske , bakhuis (plaats, waar de oven staat).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bakhuis , bakhusj , vrijstaand gebouwtje waar men brood bakt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bakhuis , bakhuus , apart gebouwtje bij de boerderij, waar gekookt werd en waar men ’s zomers ook wel woonde; meestal was daar een fornuispot aanwezig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bakhuis , bakhuus , apart gebouwtje bij een boerderij om in te koken en ’s zomers ook om in te wonen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bakhuis , bakhoes , het , apart gebouwtje, waar gebakken wordt of waaraan de oven vastzit (Sle) Het was 3 bij 4 meter met an de ien kaant een trog, waor het deeg in klaormaakt wuur, een bakoven, miestal an de boetenkaant anbouwd met een vuurmond in het bakhoes. En der stund een zicht um het meel te zeven en meel um te bakken (Emm), zie ook bakkamer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bakhuis , bak-uus , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. bakhuis; 2. gezicht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bakhuis , bakhuus , bakhuis.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bakhuis , bakkes , zelfstandig naamwoord onzijdig , bakkese , - , ruimte , (ruimte om brood klaar te maken) bakkes VB: D'n dèig sjtèit ién 't bakkes, vêrdig vuur ién d'n oëve gezat te wërde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bakhuis , [gebouw waar gebakken wordt] , bakhuus , kaokhuus , bakhuis (bij een boerderij), voor het bakken van brood (en ook wel koken) en als zomerverblijf.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bakhuis , bakhs , zelfstandig naamwoord , bakhoeze , bakhuuske , bakhuis ook bakkes
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bakhuis , bakkes , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bakkese , bakhuis, gezicht, mond, veldoven
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bakhuis , bakhèùs , zelfstandig naamwoord , bakhuis; WBD bakhuis, vrijstaand gebouwtje of deel v.h. boerenhuis, waarin de bakoven zich bevindt en de baktrog; Ik moes netuurluk alles zien. Allerirst et pèrd, de vèèrkes, de kiepenkooi en et bakhèùs. Dè waar un hèùske meej en schèùn dak, neffen de pèèrdestal. In dè hèùske wier et brôod gebakken. In den oven wiere irst takkenbossen, ‘musterd’ genoemd, geschoven en in braand gestoken. As die ötgebraand waren, wier de aas der ötgeveegd en de te bakken déég erin geschoven. Et deurke ging dicht en un uur of aanderhalf laoter waar et brôod gebakken. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal