elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bakkamer

bakkamer , bakkamer , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniƫn) = 1. kamer, waar gebakken wordt De undermelk en de voorderij stunden in de bakkamer (Sle, waar sommigen het een hok op de deel noemden met een oven tevens bergruimte, maar bij anderen stond geen oven in de bakkamer), Tegen bakkamer zeden wij mangs ok bakhoes (Zwe) 2. kamer, waar het deeg wordt gekneed, voordat het naar de oven buiten gaat (be) Het bakkamertien was ong. twie bij drie meter. Daorin stun de trog en de schragen, waorop de zakken met meel stunden. De zicht hung an de kaant (Zwin), zie ook bakhoes
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal