elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bakstallig

bakstallig , [halsstarig, balsturig] , bakstallig , halsstarrig, balsturig. Het Gron. bakstaf, bakstallig, Oostfr. bakkstaff = met tegenzin tegen eene spijs vervuld, door te veelvuldig gebruik. Dit zou komen van: bakken = wangen; eigenl. stijfheid van de kinnebakken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bakstallig , bakstallig , tegenstrevend, zich verzettend; de jōng wordt ’r bakstallig tegen; ook Drentsch Vgl. bakstaf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bakstallig , bakstallig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. halsstarrig, tegendraads, ontevreden Ik wor der bakstallig van, van dat gezeur heb er genoeg van (Dwi), Die jong is slim bakstallig; hij gaait in de kont hangen (Row) 2. uitgelaten, balorig As het tegen de vekaansie lop, bint de jongen altied zo bakstallig (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal