elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baksteen

baksteen , bakstijn , klinker, stof- en voorwerpsnaam (Weil., v. Dale: baksteen = gebakken steen.) Men onderscheidt hier: boeregrauwe, grauwe, gare, en klinker baksteen, benevens bruinroode en mooikleurige baksteen. – Heeft het ’s nachts sterk gevroren, dan men daarvoor de dikte van een bakstijn tot maatstaf: ’t het ’n bakstijn dik vroren. Begint men in den voorwinter reeds hard te stoken, dan zegt de huisvrouw: dat huift zóó nijt, ’t vrust nog gijn bakstijn. Ook zegt zij het, wanneer men haar eene dikke kool in de stoof geeft. (Bij niet felle vorst is de dikte van een ester (zie aldaar) de maat.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
baksteen , bakstien , de , baksteen Hij gooide mit een baksteine naor het peerd (Bov), Hij kun niet zwemmen en zunk as een bakstien (Ker), Het vrös as een bakstien (Val), ...een bakstien dik (Sle), Het regende bakstienen (Bui), De grond is zo hard as een bakstien (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baksteen , bakstien , zelfstandig naamwoord , de 1. baksteen 2. steen die door bakken is gemaakt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baksteen , [soort steen] , bakstein , (mannelijk) , baksteen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal