elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baktrog

baktrog , baktrog , de , baktrog ...de schraole daogen tuschen aold en nei, as de baktrog mèerdermaolen een week of wat tumig stun, umdat men deur de rogge hen was (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baktrog , baktroôg , baktroeëg , zelfstandig naamwoord, mannelijk , baktroôge/baktroeëge , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kneedbak
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal