elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balans

balans , belans , balans; iemand of iets in belans hol’n = zorgen dat het niet erger wordt met zijn gedrag, bewerken dat het binnen de palen blijft; dat iets zijn gewonen, goeden gang gaat; in belans blieven = zóó, dat men niet noemenswaardig wint of verliest, ook wat de gezondheid, enz. betreft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
balans , baalans , mannelijk , evenwicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
balans , baalans , vrouwelijk , baalanse , baalenske , weegschaal.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
balans , balans , de , 1. evenwicht Hie was hielmaol oet balans (Sle) 2. balans, staat Tegen neijaor moej de balans opmaken (Emm), (fig.) Wie hebt eerst de balans even opmaakt, veurdat wie wieder gungen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balans , belaans , balaans , zelfstandig naamwoord , de 1. bep. weegwerktuig: balans 2. in in/uut belaans in/uit balans, in/uit z’n evenwicht 3. in de belaans opmaeken de balans opmaken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
balans , belaans , zelfstandig naamwoord mannelijk , belaanse , - , balans , VB: De belaans opmäoke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
balans , balâns , zelfstandig naamwoord, mannelijk , balânse , weegwerktuig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal