elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balderen

balderen , baldêrn , bōldern , met vloed van woorden en forsche stem, menigmaal daarbij vloekende en tierende, iemand bestraffen. (v. Dale: bulderen fig. razen, tieren, vloeken); de kerel baldert; de wind bōldert. Hooft afbalderen = losbranden van het geschut; Nedersaksisch, Holsteinsch ballern = klappen met de zweep; Westfaalsch ballern = bulderen van den storm; Noordfriesch bullern = donderen; Deensch baldre = gedruisch, leven, rumoer maken. (v. Dale: balderen = leven -, getier -, geraas maken, bulderen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
balderen , baldern* , Nederlandsch ook “balderen” voor “bulderen.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
balderen , bàeldrn , werkwoord, zwak , heftig bewegen, bruisen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
balderen , baldern , boldern, baltern , Ook boldern, baltern (Veenkoloniën naast baldern) = 1. te keer gaan, lawaai maken De kwaojonges leupen om hoes tou te baldern (Pei), Wij kriegt aander weer; de roene baldert trapt tegen het beschot (Ruw), De wagen boldert aover der straote (Rui) 2. veel en luidruchtig praten, opscheppen Wat kan die paander proten. Hij baldert mar an ien stuk deur (Hav) 3. foeteren met harde, kwade stem Die vrouw baldert aaid an met heur kinder (Eex) 4. wild doen Hij balderde aordig over zien laand met de neie trekker (Gas) 5. geluid maken door korhoenders tijdens de balts Korhounder waren ok weer an het baldern (Vri), zie ook baltsen, beldern 6. door iets heenlopen Aj het aordig drok hebt, kuj wal zeggen: daor bolder ik wel deur (Hol) 7. duikelen, buitelen (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat baldert die kieften (Sle) 8. met een vuurwapen schieten (wb:Rui) 9. met een stok in de bomen smijten (wb:Eel), zie ook bongeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balderen , balderen , belderen, bulderen, bolderen , werkwoord , 1. (van korhoenders) harde geluiden maken en dansen (behorend bij de paartijd) 2. lawaaierig bezig zijn, rumoer maken, vooral: door te stoeien 3. zie bulderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal