elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ballon

ballon , ballon , bellon, ballonne , ballonnen , Ook bellon, ballonne (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe) = 1. luchtballon Der hung gistern een ballon in de locht (Bov) 2. kap of bol van de lamp De ballonne van de laampe is oons ebreuken (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ballon , belon , ballon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ballon , belon , ballon, blon , zelfstandig naamwoord , de 1. luchtballon 2. lampballon 3. bol van een gloeilamp e.d. 4. zeer bekend, door opblazen balvormig enz. uitdijend feestartikel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ballon , belonne , (zelfstandig naamwoord) , ballon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ballon , belon , zelfstandig naamwoord , ballon; Dirk Boutkan: belon - belonneke
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ballon , belón , belónne , belunke , ballon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal