elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bams

bams , bams , de , 1. klap Hie hef hum toch een bams veur de kop geven (Bor) 2. dreun Hij kon het vrachie neit haolden ʼt kwam mit een bams op de grond (Erf) 3. klanknabootsing Ik haar alles mooi opstapeld en bams!, daor lag het en kun ik opnei begunnen (Hijk), Bams, die is dicht (Nam), zie ook wams
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal