elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ban

ban , ban , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Rechtsgebied, streek staande onder de rechtspraak van éénzelfde rechter. Thans verouderd. De Zaanstreek was vroeger verdeeld in de bannen van Assendelft, van Westzaanden en Krommenie, van Wormer, Jisp en Nek (dikwijls verenigd) en van Oostzaanden. Alleen van de banne van Westzaanden bleef nog iets over, nl. het gemeenschappelijk beheer van de vroegere bansluizen door de gemeenten, waarin de ban thans is opgelost. In zoverre leeft dus de Ban van Westzaanden nog voort. – Verder spreekt men nog van de ban omrijden of omlopen, d.i. een rijtoer of wandeling doen de ban rond, hier de ban van Westzaanden. Men onderscheidt daarbij de kleine en de grote ban. De kleine ban omvat de kring: Zaandam, Koog, Zaandijk, Guispad, Westzaan, Hoogendijk; de grote: Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie (Zuideind), Assendelft (Noordeind), Vrouwenverdriet, Westzaan, Hoogendijk. – Van Krommenie uit is de kleine ban: Assendelft (Noordeind), Vrouwenverdriet, Westzaan (Noordeind), Guispad, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie; de grote ban: Assendelft, Zaandammerpad, Westzaan (Zuideind), Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie. – Wanneer tegenwoordig ban als historische term gebezigd wordt, spreekt men meestal verkeerdelijk van banne, en gebruikt dit vrouwelijk; b.v. Schout en Schepenen der banne (i.p.v. van de banne) van Westzaanden. Deze vorm was echter reeds in de vorige eeuw gewoon. – Vgl. banscheid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ban , bån , [bǫñ] , vrijplaats bij krijgertje spelen. Vån bån tot bån: tussen twee vrijplaatsen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ban , bam , bamme, ban , bammen , (Zuidwest-Drenthed, Midden-Drenthe,Veenkoloniën). Ook bamme (Zuidwest-Drenthe), ban (Zuidwest-Drenthed, Veenkoloniën) = 1. plaats, waar je niet getikt of gestoord mocht worden Ie magt mij niet tikken, ik bin in de bam in een afgeperkte ruimte, waar men in kwam als men ‘af’ was (Die), ‘Als er bam geroepen werd mocht er niet afgetikt worden’ (Dwij, ook Vtm), ‘Verwachtte je afgetikt te worden, dan zei je snel bam in en later weer bam uut’ (Wap), ...ban of (Git), zie ook baan II 2. gezegd bij knikkerspel (Zuidwest-Drenthe, noord), in Wie döt mit op de bam uitnodiging tot knikkerspel, waarbij knikkers met een dikke stuiter of ijzeren kogel uit een cirkel werden gegooid (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ban , ban , bandevoet , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in op (iegen) ban en voet op eigen houtje. Ook bandevoet. Hij dee det mar op eigen ban en voot (Rui). ... ’t alles mor op eigen bandevoet (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ban , banne , ban, bannegien , bannen , (Zuidwest-Drenthe). Ook ban, bannegien = 1. onaangebroken stuk van het hooi of korenvak Het heui kort hard op, der zit mar een klein bannegien meer (Dwij) 2. hoeveelheid afgestoken hooi Het heui an bannen stikken in blokken (Zdw), Ik mut nog een bannegien heui ofgooien (Ker) 3. dammetje ‘Om van het water geen hinder te hebben laat men bij het sloten van tijd tot tijd een bannegien zitten. Deze bannegies verwijdert men dan later (Bro) 4. hoeveelheid Ze zetten een bannegie holt in de hook van de schure (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ban , banne , de , bannen , (Zuidwest-Drenthe). = 1. gang langs de groep achter de koeien De bam [sic] is de ruumte tussen de gröppe en de butenmure (Vle) 2. plank over de groep, bijv. gebruikt als de koe moest kalven (Die), zie ook ban, achterban
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ban , ban , de , bannen , (Zuidwest-Drenthe, noord) = dam Der kun wel een bannegien blieven staon, umdat er gien ruumte meer op de wal was um de vene kwiet te worden (Wsv), zie ook klink I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ban , [stapel] , banne , banne hout , stapel hout; bannen, stapelen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ban , ban , ploeg havenarbeiders
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal