elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bandgard

bandgard , [stokken over een rieten dak] , bandgarden , (meervoud) , [weinig gebruikelijk].
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bandgard , [stok als onderdeel van een dak] , bandgarden , (meervoud) , stokken, die over het rieten dak gelegd worden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bandgard , bandgärden , lange rechte takken die gebruikt worden bij het rietdekken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bandgard , bandgaarde , bandgare, bandgeerde, bandgaorde, bandgaor, bandga , bandgaarden , Ook bandgare, bandgeerde (Ros), bandgaorde (Midden-Drenthe), bandgaor (Midden-Drenthe), bandgaar (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), bandgarre (Zuidwest-Drenthe),bandgarde (Zuidwest-Drenthe) = 1. lange twijg meestal van (water)wilg gebruikt bij het dekken van stro of riet en bij het maken van korven of manden. Ook bij het binden van talhout, takkenbossen en bezems Wij hebt de dekker op het huus, nou murre wij baandgarden snien (Hav), Pak mij ies even een bandgaarde, dat peerd wil niet lopen (Pdh), Aj dat nog ies een keer wèer doet, dan kreej met de baandgare (Bei), Een baandgarde um de takkebos (Hol), zie ook bandentwieg 2. lange dunne stok van vuilboom, gebruikt bij het rietdekken, om het riet neer te drukken (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bandgard , baandgädde , (Kampereiland, Kamperveen) dikke twijg die bij rietdekken dwars over het riet wordt gelegd en met een dunnere twijg aan het latwerk wordt gebonden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: leggädde (niet Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bandgard , bandgârdn , driejarige wilgentakken die gebruikt worden om ’t strodak of rietdak vast te maken op de latten. Bandgârdn wordn vaeker gebruuk deur de strodekker.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bandgard , [bos riet] , baandgaard , bosje bijeengebonden stro of riet, o.a. gebruikt bij dakbedekking.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bandgard , bândjgaerd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bândjgaerde , bândgaerdje , (Nederweerts, Ospels) panlat
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal