elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: banjer

banjer , banjer , zelfstandig naamwoord de , 1. Opschepper. 2. Moedig persoon. 3. Wilde rakker. 4. Pierewaaier. Het woord kan een samentrekking zijn van banjerheer = banierheer. Een andere opvatting is, dat banjer ontstaan zou zijn uit Maleis banjak = veel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
banjer , banjer , zelfstandig naamwoord , grote meneer, opschepper (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 34) en Gouda (Lafeber 1967, p. 64). Van der Ent (1988, p. 32) trof bij haar onderzoek naar het Krimpenerwaards de vorm banjo meneer aan bij een informante uit Krimpen aan den IJssel. De vorm banjer is oorspronkelijk afkomstig van het Maleise banjak , wat ‘groot, veel’ betekent. Eigenlijk betekende banjer ‘groot heer’ (zonder sarcastische bijbedoelingen); die betekenis is mogelijk ontstaan uit associatie met het woord baanderheer (‘middeleeuws heer die onder eigen banier optrok’). Pas later is de huidige betekenis in zwang gekomen, die als zodanig ook in de Van Dale vermeld staat.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
banjer , banjer , banjerd , banjers , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. groot, grof persoon of dier, zelden gezegd van voorwerpen Mit dei banjerd van een kerel krieg ik laiver gain roezie (Twe) 2. bolleboos Wat een banjerd in het wark, het is net een kerel (Oos) 3. opschepper (Zuidwest-Drenthe) Hij vuult zich aordig, het is een hele banjer (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
banjer , banjer , banjerd , zelfstandig naamwoord , de; grote, zwaargebouwde kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
banjer , bajjer , branieschopper (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal