elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: banjeren

banjeren , banjern , beiern , in: het banjert, of: het beiert er om = het dingt er om, ’t scheelt in allen gevalle maar heel weinig; bijzonder bij ’t spelen, om te kennen te geven, dat het doel bijna bereikt of getroffen is. Gron. bantjen, banjern, slingern; ’t bantjet, enz. d’r om, ook: ’t lopt’r om. Er kan hier gedacht worden aan een band of eene koord, die, als een slinger in beweging gebracht, zich ovaalswijs beweegt om één punt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
banjeren , bantjen , bantjern, banjern , in: ’t bantjet ’r om = ’t zel d’r om bantjen = ’t slingert ’r om = ’t lopt ’r om = ’t dingt ’r om = ’t is zóó of zóó = het scheelt maar heel weinig, als het een’ tijd betreft; ’t bantjede d’r om of hij was vallen; ’t bantjede d’r om of hij har de pries wōnnen, enz. Er kan hier gedacht worden aan een band (of koord), die, als een slinger in beweging gebracht, zich ovaalsgewijze beweegt om één punt. Drentsch banjern, beiern = slingeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
banjeren , bàjrn , werkwoord, zwak , rondslenteren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
banjeren , bánjere , ijsberen, met grote stappen lopen, struinen. D’r dör bánjere
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
banjeren , t baantjet d’r om , ongeveer, het loopt er om
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
banjeren , banjere , werkwoord , 1. Met grote stappen lopen. 2. Ravotten. 3. Er op los leven, pierewaaien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
banjeren , banjern , bantjern, baantjern , Ook bantjern (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), baantjern (Veenkoloniën) = spannen, schommelen, weinig schelen Of e al 80 jaor is, weet ik niet, maor het banjert er wel um (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
banjeren , banjern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. waden (Zuidwest-Drenthe) Wij mussen deur de modder banjern (Eli) 2. vallen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie schommelt zo hard, dat hie banjert er haost oet (Emm) 3. er stevig de pas in hebben (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) As hij der an komp banjern, giet iederiene op zied (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
banjeren , banjern , opschepperig lopen
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
banjeren , banjeren , werkwoord , banjeren: met grote, enigszins zware stappen lopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal