elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: banjerheer

banjerheer , banjerheer , baonderheer, baondermeneer , (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baonderheer (Veenkoloniën), baondermeneer (Zuidwest-Drenthe, zuid) = heer in uiterlijk en kleding, z. ook baonholder
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
banjerheer , banjerheer , zelfstandig naamwoord , "verbastering van ‘baanderheer’, een ridder die het recht had een banier te voeren; van daaruit: iemand die ‘dik doet’, of ‘het ervan neemt’ (zie Robben); Cees Robben – Zeuve daoge banjerheer....!!/ Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814); Cees Robben – Hij spult mar d’n banjerheer.. ’t komt er meej de schoep binnen en ’t gaot er meej de kèèr uit. (19641106); Cees Robben – Ik vuulde me d’n banjerheer... (19590523); zie banjermeneer; Noord en Zuid - Baanderheer - (banierheer), nog voorkomende in de spreekwijze: Den baanderheer spelen “groot leven.” De baanderheer of banierheer was „een edelman, die in het leger van den leenheer een eigen banier mocht voeren. Banjerheer, banjer, verbasterd uit baanderheer en baander; deze verbastering ontstond uit de omstandigheid, dat het volk in baanderheer het woord banier niet meer herkende. Men zegt: „Den banjerheer spelen,"" maar „'t is een banjer."" (T. van Lingen, ‘Woordfamilies’; in: Noord en Zuid, 1871, jrg. 4., p. 71); Brabantsche folklore - In 1312, riep Hertog Jan II, een beruchte vergadering te Kortenberg bijeen; leenmannen en baanderheeren van Brabant, afgevaardigden van Brabantsche steden waren op deze plechtigheid aanwezig. (Jrg. 4, 1924, p. 159); Gerard van Leyborch - Baanderheeren waren ridders die het recht hadden een banier te voeren. Echter was hunne waardigheid niet erfelijk, men moest in tijden van strijd 50 soldaten in 't veld kunnen brengen en deze dan onder eigen banier ten strijde voeren. De naam ""banjerheer"" (grootdoener) is er nog een overschotje van. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 21 november 1925 Historische Tips 1: De volhardende Brabanders); Pierre van Beek - Dit brengt ons weer op ""de banjerheer uithangen"" (...) Die ""banjerheer"" - of ook wel mijnheer! - vormt een verbastering van het woord ""baanderheer"". Dat was eertijds een edele, die ""het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren"", zoals Van Dale dat wat plechtstatig vertelt. (Tilburgse Taalplastiek, 2-01-1965); G.J. Boekenoogen - Baanderheer, ook banderheer en banjerheer; bij verkorting banjer (Eig. een edele, die het recht had zijn welgeboren mannen onder- zijn banier ten strijd te voeren). Een banjer (Bij overdrijving: iemand die als een heer leeft, of die zich parmantig aanstelt : Wat een banjer! Den banjer, den baanderheer spelen, uithangen (Den grooten heer spelen). (In: Volkskunde, jrg 16, 1904, p. 82); WNT – lemma BAANDERHEER - De koude winter teert op 't zweet der zomerdagen, Gelijck een banderheer, VONDEL 8, 202 [1660]."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal