elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: barge

barge , berzie , barzie , eene jaagschuit, vooral voor personenvervoer ingericht, grooter, netter en geriefelijker dan de ouderwetsche snik (schuit), en sedert een dertigtal jaren in deze provincie ingevoerd. Oostfriesch barse, Nederduits barse, basse. (v. Dale: bargie = trekschuit.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
barge , bargaart , bergaart , klemtoon op -gaart , mannelijk , de hele troep, alles. Zie ook: bergaart.; bergaart troep, zie: bargaart.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
barge , barge , de , (dac, veroud.) = ijzeren trekschuit
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
barge , bèrzie , zelfstandig naamwoord , "massa, boel, hoop; Der laage tòch en bèrzie aaw spèèkers. - Er lagen toch een boel oude spijkers; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): ''n heel berzie fleschkes odeur'; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): ""n heele berzie wilde vrammessen'; 'n heel berzie collectanten’; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ""berzie - ze kwaamen mee 'n hil bersie (aantal)""; Un berzie sperzie. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); Piet van Beers – ‘Kerstverhaal 2009): Mar toen kwaame der en bèrzie engeltjes èn die zonge der op los. (Het zeventiende boekje, 2010); CiT (19) 'Siendereklaos hee wir 'n berzie gereje'; WBD III.4:260 'berzie' = grote hoeveelheid; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): bèrzie - grote hoop, troep; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BERZIE (Fr. berge, schuit), v. grote hoeveelheid: 'n hil berzie: ook wanorde, chaos, rommel .A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): § 236 localiseert 'bèrzie' in Wagenberg en Tongelre; Tilburg wordt niet genoemd .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): 'berzie', menigte, hoop, troep: 'n heel bärzie (kinderen appels, centen, enz.); Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): berzie - grote hoeveelheid, rotzooi, wanorde, bende; WNT BERZIE, ook barzie, een woord dat in de spreektaal van veel gewesten zeer gewoon is, hetzij in den zin van: 'ongeordende wilde troep van koeien, van kinderen, van gemeen volk', hetzij in dien van 'ongeordende boel, rommel', of ook in dien van 'drukte, herrie' .Kiliaen: 'bersch'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal