elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bark

bark , bark , baark , eikenschors. In de 12de eeuw zou dit uit Munster en Bentheim in Drente zijn ingevoerd. Gron. bark = run, gemalen bast van den eikeboom, Zw. barkmjöl. Kil. berck, barck, borck, Oostfr. Osnabr. Deensch, Zw. bark = boomschors.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bark , bark , run, gemalen eikenbast, Zweedsch barkmjöl, Hoogduitsch Baumrinden mehl; Drentsch bark = eikenbast; Osnabrück, Deensch, Zweedsch bark = boomschors; Kil. berck, barck, borck. Niet gemalen eikenschors heet hier steeds; ijkenbast. – Bij Groningen, aan het Reitdiep staat de barkmeul’n; die stee dient nog steeds tot plaatsaanduiding. Oostfriesch barkmölen, Deensch barkmölle, Hoogduitsch Lohmühle, Friesch eekmolen. West-Vlaamsch bark, bork, het kurkachtige buitendeel van de boomschors dat dikwijls met eene gebarsten en verdorde korst overdekt is. Volgens Ten Kate is het woord verouderd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bark , bark , (ouderwets), vaartuig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bark , bark , baark, börk , (Midden-Drenthe, wp, dva). Ook baark (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), börk (wb:Rui) = schors van eikenhout Bark weur eerder bij mekaor gaord deur de Geldersen (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal