elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: be-

be- , be , Weglating van dit voorvoegsel: heurde (behoorde). Ook Gron.; bij Kil. o.a. gheeren, begheeren; lofte, belofte. Ook in het Nederl. niet ongebruikelijk: loonen = beloonen; hoeven = behoeven, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
be- , bie , als voorvoegsel = be. Op het Hoogeland hoort men van oude menschen: biegroaven (begraven), bieveuren (te voren), bietoalen (betalen), biedenken, biegrooten, biedoeren, biegunnen (beginnen), biehépt, bietuun, enz. “Wie zollen, mijn ik, nou bieproaten, Hou dat heur hauwlik dijnt beschreven te worden.” (Mr. Reynders.) Vgl. bie 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
be- , be , voorvoegsel met frequentatieve kracht; wat beloop, bearbai, beschrief, enz. ie doch! = wat beoogt gij toch met al uw heen en weer loopen (in huis); met uw werken (kleinigheden betreffende); met al al dat schrijven, enz.; Weglating van dit voorvoegsel in: bouen, bauen (bouwen) = bebouwen; hoagen = behagen, naar den zin zijn; gijten (gieten) = begieten, van bloemen, enz.; heuren (hooren, ook bij v. Dale) = behooren, toekomen; noodig zijn; passen; huiden (hoeden) = behoeden; kappen = bekappen, van boomen; klimmen = beklimmen, van den hengst; misten, missen = bemesten; rijden = bereiden, van linnen, enz.; spiekern = bespijkeren, bv. met latten; flouêrn = bevloeren; bloard = beblaard, van bladeren voorzien; hollen (houden) = behouden; roadsloagen = beraadslagen; huiven = behoeven; seffeloos = beseffeloos, enz. Het Nederlandsch heeft o.a. dijen, bedijen; loonen, beloonen; merkbaar, bemerkbaar; minnen, beminnen; minnaar, beminnaar; naasten, benaasten; ruiken, beruiken, enz. Bij Kil. hoeven (ook bij v. Dale), behoeven; gheeren, begheeren; gheerig, begheerig; lofte, belofte, enz. Vgl. ge.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
be- , be , als voorvoegsel vóór een werkwoord geeft daaraan frequentatieve beteekenis, bvb.: wat beloop je toch, wat beschrief je toch? = wat heb je toch voortdurend te loopen, te schrijven?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
be- , be , voorvoegsel , gebruikt als in het Nederlands. Er worden dus overg. werkwoorden gevormd van a. een onoverg. ww. als bespringen, belustern, bewonen, die hetz. betekenen als het grondww., verbonden met voorzetselbepaling: springen op, luisteren naar, wonen in b. van zn. als in bebossen, beplanten met als bet.: voorzien van het in het zn. genoemde c. van een bn., zoals beschuldigen met als bet.: in de door het bijvoeglijk naamwoord genoemde toestand brengen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
be- , be- , be-, voorvoegsel in werkwoorden als beplaanten, bewarken, bekrassen; heel productief in de vaak negatieve bet. van ‘voortdurend actief met iets bezig zijn terwijl je je afvraagt waar het allemaal goed voor is’, bijv. in werkwoorden als in Wat bedonder ie toch waarom doe je dat toch, waarom ben je toch steeds daar zo mee bezig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal