elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beantwoorden

beantwoorden , [antwoord geven op] , beantwoorden , als vader of getuige (peet) de vragen naar ’t doopformulier met ja beantwoorden; zien bes hef hōm beantwoordt, zegt men van een kind, wiens grootvader in plaats van den vader op de bedoelde vragen heeft geantwoord.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
beantwoorden , beantwoorden , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. antwoord geven Het deupen geit maor zo neit, ze mout de deupvraogen eerst met jao beantwoorden (Vri), Ik heb hum de vraoge beantwoord (Bov), Mu’k al die vraogen beantwoorden? (Coe), Ik zal de vraoge met jao beantwoorden (Sti), Ik heb alles naor èer en geweten zuver beantwoord (Hijk), 2. voldoen aan Hij beantwoordde niet an de verwaachting (Rui) 3. als vader of getuige de vragen na het doopformulier beantwoorden (dva, wb) Zien bes hef hum beantwoord (dva) *Iene gek kan meer vraogen as tien wiezen kunnen beantwoorden (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal