elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedapperen

bedapperen , bedappêrn , (wederkeerend) = inhouden, intoomen, bedwingen, zwijgen; ’k mōs mie bedappêrn = ik kon mijne drift, of: mijn lachlust den vrijen teugel niet vieren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bedapperen , bedappern , zich bedwingen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bedapperen , bedappern , bedebbern , Ook bedebbern (Stu) = 1. zich inhouden Ik wol hum een bats an de kop geven, mor ik mus mai bedappern (Row) 2. zich vermannen, moed vatten Mös niet zo in de putte zitten, bedapper dij maor ies even (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal