elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedelaar

bedelaar , bedelaar , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een bedelaartje, overgebleven koffie, melk, suiker en kaneel dooreengekookt (Jisp). Elders heet deze drank een soldaatje. || Ik hou nog meer van ’en bedelaartje as van verse koffie. – Een bedelaar is iemand, die alles aanneemt, die met alles tevreden is. Vandaar ook de zegsw. een bedelaarsmaag hebben, alles lusten. || Je heb ’en makkelijke gast an me; ik heb ’en bedelaarsmaag. – Evenzo zegt men, dat iemand, wie alles goed staat, een bedelaarslijf heeft. || trijntje heb ’en bedelaarslijf, ze ken maar alles antrekken wat ze wil. || Te Krommenie heet koffie die met suiker en melk wordt opgewarmd eveneens bedelaarskoffie. Te Zaandijk zegt men: Lust je nog ’en bedelaarskoppie?
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bedelaar  , baedelaer , bedelaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bedelaar , bedelaar , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze van arremoed gaat de bedelaar kant, ironisch gezegd van lieden die klagen van weelde. Letterlijk van armoe gaat de bedelaar netjes gekleed. – Alles hewwe wat ’n bedelaar toekomt, van alles voldoende hebben, tevreden zijn met wat men heeft. – De jongste bedelaar moet de kurf dreige, de jongste, de nieuweling in een gezelschap draait voor het zwaarste of minst prettige werk op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bedelaar , baedelaer , mannelijk, vrouwelijk , baedelaesj , baedelaerke , bedelaar. Et is den eine baedelaer leit, ės den angere aan de deur sjteit: uitdrukking voor broodnijd.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bedelaar , bedelaar , bedelaor , bedelaars , Ook bedelaor (Noord-Drenthe) = bedelaar Der kwam een bedelaar bij oes an de deur; ik heb hum wat te eten geven (Emm), zie ook het meer gebr. schooier
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bedelaar , bedeler , bedelder , zelfstandig naamwoord , de; bedelaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bedelaar , bëdeler , zelfstandig naamwoord mannelijk , bëdelers , bëdelerke , bedelaar , (klinker in slotlettergreep is niet verzwakt tot stomme e maar is betoond) VB: De -re krège vreuger mêt nejaor epäorte waffele van mênder kwaliteit: de bëdelerrewaffele. Zw: Debié loüpe wie 'nne -: er onverzorgd bijlopen. Zw: D'n èine - kôs neet zién es d'n aandere aon de duur sjtoûng: jaloezie is van alle tijden.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bedelaar , biddeman , bedelaar, schooier (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bedelaar , baedelieër , (mannelijk) , baedelieërs , baedelieërke , bedelaar , T’r oetzeen wie eine baedelieër. ’t Duit d’n eine baedelieër leid det d’n angere ane duuer stuit: er is afgunst tussen twee mensen die hetzelfde ondernemen. Zoea besjaamdj zeen wie eine baedelieër: verlegen zijn.: verlegen zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bedelaar , baedeliër , zelfstandig naamwoord , baedeliërs , baedeliërke , bedelaar
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bedelaar , baedelaer , baedeler , zelfstandig naamwoord, mannelijk , baedel(a)ers , baedel(a)erke , bedelaar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bedelaar , baedelaer , baedelaers , bedelaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal