elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedoeling

bedoeling , bedoolege , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bedoeling
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bedoeling , bedoeling , de , bedoelings, bedoelingen (weinig) , Voor var. z. bedoelen = 1. doel, oogmerk Hij hef dat met een bedoeling daon (Exl), Ik heb dat hoes koft, mar dat was niet de bedoeling; het gung mij um het striekgeld (Wee) 2. voornemen, plan Het is de bedoeling, daw ʼt aovend bij mekaar koomt (Ruw), Hij hef altied wel goeie bedoelings, mar er komt weinig van terechte (Zdw) 3. zin, betekenis Wat is de bedoeling van die iene knop an je radio? (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bedoeling , beduuleng , bedoeling , T’is nie de beduuleng déw'we alles saome doen, iederiin moet z'n aojge wéérk maoke. Het is niet de bedoeling dat we alles samen doen, iedereen moet zijn eigen werk maken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bedoeling , bedoeling , bedoelige , zelfstandig naamwoord , de 1. oogmerk, doel, voornemen 2. beproeving
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal