elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedokteren

bedokteren , bedoktern , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. voor elkaar maken Dat hebt ze mooi bedokterd dat het niet in het reur komp (Sle), Hij har ʼt lest bij ons bedorven en nou wil hij het weer bedoktern (Scho) 2. bepraten Wij mut eerst alles bedoktern, veur as wij het anneemt (Dwij) 3. beheersen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij bedoktert heur helemaole bestelt haar alles, laat haar alles doen (Mep) 4. uitdokteren (Midden-Drenthe) IJ kunt wal hielwat bedoktern, mor of ʼt aaid wal zo oetkomp, is de vraog (Zwig)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal