elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedrog

bedrog , bedrog , Het meervoud van dit woord komt voor in eene Ordonnantie van de Grave H. de Nassau, als Heer van Breda, van dato 20 September 1531, op het koopen van losrenten en lijfrenten, in welke men vindt: “om te verhueden veel frauden ende bedrogen enz.”
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
bedrog , bedrog , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t groôste bedrog is later, de toekomst ontwikkelt zich doorgaans heel anders dan men wenst of verwacht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bedrog , bedroch , onzijdig , bedrog.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bedrog , bedrog , het , bedrog , Zie kunt mij meer vertellen, het is aolmaol bedrog(Bui), zie ook bedriegerij *Dreumen zint bedrog (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal